Radiotherapie

Bij bestralingstherapie worden radioactieve of ioniserende stralen gericht op de tumor, met als gevolg dat snel delende cellen zoals kankercellen binnen de stralingsregio worden beschadigd. Hoe beter doorbloed/zuurstofrijk de tumoren zijn, hoe beter de radiotherapie werkt. Dit leidt tot het krimpen of volledig vernietigen van de tumor.

Radiotherapie kan op 2 manieren ingezet worden:

  1. Als enige behandeling: radiotherapie wordt meestal gebruikt voor oppervlakkige tumoren die niet volledig verwijderd kunnen worden via chirurgie of waarbij de chirurgische ingreep onveilig of ongewenst is.
  2. Als aanvullende behandeling: samen met of in plaats van chemotherapie of volgend op chirurgie. Indien toegepast vóór chirurgie, is de tumor zuurstofrijker en dus gevoeliger voor radiotherapie. Daarnaast doet radiotherapie vooraf ook het risico op tumorspreiding ten gevolge van chirurgische handelingen dalen en kan dit leiden tot een minder agressieve chirurgie. Het is echter niet altijd mogelijk of zinvol om vooraf te bestralen. Potentiële nadelen houden helingscomplicaties in en een uitstel van de chirurgische ingreep.
Types bestralingstherapie

Conventionele radiotherapie wordt typisch toegediend gedurende 3-7 weken (gemiddeld 15-21 behandelingssessies). Hogere dosissen worden ingezet bij radiotherapie die als doel heeft de patiënt te genezen of de overleving te verlengen (curatieve radiotherapie).

Palliatieve radiotherapie wordt vooral gebruikt om de levenskwaliteit te verhogen, de pijn te verminderen en hospitalisatie zo kort mogelijk te houden. Omdat de patiënt niet mag bewegen tijdens deze behandeling, wordt uw huisdier verdoofd gedurende de behandelingssessie, die vaak maar enkele minuten in beslag neemt.

Er bestaan 3 grote vormen aan radiotherapie:

ortho/megavoltage radiotherapie:
hierbij produceren apparaten X-stralen die bij orthovoltage oppervlakkig door de weefsels dringen (goed voor oppervlakkige tumoren ter hoogte van de huid of slijmvliezen) en bij megavoltage diep in de weefsels doordringen (goed voor dieper gelegen weefsels). Aangezien de maximale energie-afgifte bij megavoltage op 0,5-1 cm diepte is, beschadigt deze laatste behandeling de huid niet.
Brachy- of curietherapie:
hierbij wordt een stralingsbron (radioactieve naaldjes of zaadjes) in of naast de tumor aangebracht. De stralingsbron zal op deze manier vooral het tumorweefsel bestralen en zo min mogelijk het omliggende gezonde weefsel. Omdat deze naaldjes of zaadjes over een erg beperkte afstand straling afgeven (op 5 mm van de naald is het stralingsniveau verwaarloosbaar), leent dit type radiotherapie zich goed tot locaties dicht bij belangrijke structuren zoals het oog, de longen of de darmen. Door de verminderde straling op het gezonde weefsel zijn ook de bijwerkingen op die plaatsen beperkter. Daar waar bvb. het oog in een klassiek stralingsveld mee schade zouden kunnen ondervinden, is dit niet het geval met de radioactieve naaldjes/zaadjes. Meestal is voor dit soort radiotherapie een opname van enkele dagen nodig. Het verloop is afhankelijk van de te behandelen tumor, het soort implantaat en de dosis van de bestraling. Het implanteren zelf gebeurt onder lokale of algemene verdoving. Dit soort bestraling wordt apart gebruikt of als aanvulling op chirurgie en/of externe bestraling.
Metabole radiotherapie:
Deze therapie wordt over het algemeen toegepast bij dieren met een schildkliertumor. De schildklier houdt joodmoleculen gevangen. Van deze eigenschap wordt bij radioactief-joodtherapie gebruik gemaakt door radioactief geladen joodmoleculen intraveneus toe te dienen (I-131). Het radioactieve jood wordt onderhuids ingespoten en stapelt zich op in de schildklier. Deze radioactieve stof vervalt en door de vrijgekomen straling wordt heel lokaal aan bestraling van de schildklier en schildklierkankercellen gedaan. De behandeling vereist een korte hospitalisatie. Metabole radioactieve joodtherapie is mogelijk aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Gent (België).
Tumortypes gevoelig voor bestralingstherapie

Tumoren die over het algemeen gevoelig zijn voor bestraling zijn:

  • hersentumoren (meningioom, schwannoom, choroid plexus tumoren, astrocytoom, glioom, macroadenoom van de hyposfyse en adenocarcinoom),
  • neustumoren (vooral lymfoom, sarcoom, carcinoom),
  • mondholtetumoren (acanthomateuze epulis, squameus celcarcinoom, fibrosarcoom, melanoom)
  • tumoren op de lidmaten/lichaam (kleine weke delen sarcoom, lymfoom, mastceltumor, cerumineuze kliertumor, schildkliercarcinoom, blaastumoren, prostaattumoren, perianale adenomen, anaalzakadenocarcinomen).

Bestraling wordt ook palliatief ingezet voor osteosarcomen als heel goede pijnbestrijding.

Neveneffecten bestralingstherapie

Neveneffecten van radiotherapie kunnen tweeërlei zijn: snel en verlaat of uitgesteld.

Acute effecten worden vooral gezien in sneldelend weefsel: beenmerg, opperhuid, maagdarmcellen, slijmvliezen (ontsteking) en kankercellen. Factoren die de neveneffecten op gezond weefsel beïnvloeden zijn de totale dosis die werd toegediend, de intensiteit van de dosis en de hoeveelheid en locatie van het weefsel dat behandeld werd. Deze acute effecten zullen gezien worden bij curatieve radiotherapie, maar trekken weg naarmate de tijd verstrijkt en gepaste zorg wordt voorzien. Bestralingsdeskundigen zijn voortdurend op zoek naar behandelingsprotocollen voor de beste tumorcontrole met de minste neveneffecten.

Late effecten worden voornamelijk gezien in traagdelend weefsel (zoals hersenen, ruggenmerg, spier, bot, nier en long). Omdat de schade vaak niet omkeerbaar is, beperkt dit de stralingsdosis die kan worden toegediend. Om een zo efficiënt mogelijke dosis te berekenen, is bijna altijd een CT-scan nodig vóór de start van de bestraling.

Waar is diergeneeskundige bestralingstherapie mogelijk? (niet-limiterende lijst)

Bestraling met megavoltage radiotherapie is mogelijk in

Bestraling met orthovoltage radiotherapie is mogelijk in

Bestraling met brachy- of curietherapie is mogelijk in

Bestraling met metabole radiotherapie voor schildkliertumoren is mogelijk aan

Referenties
  1. LaRue SM, Gordon IK. Radiation Therapy. Withrow and MacEwen's Small Animal Clinical Oncology, 5th edition, Chapter 12 (p 180-195).
  2. Dierenkliniek Randstad, http://www.dierenkliniekrandstad.be/medische-info/oncologie/behandelingsmogelijkheden/behandelingsmogelijkheden.